1. THALITHA

‘1,2,3,4,…100! Ik kom!’ Elias springt net op tijd achter de wagen van zijn vader. Talitha draait zich om en kijkt zoekend in het rond. Eerst kijkt ze bij de ezels. Die kennen Elias omdat hij ze vaak te eten geeft. Ze zouden hem nooit verraden als hij bij hen een verstopplekje zocht. Ze klautert over het hek en kijkt voorzichtig in de stal. Maar Elias ziet ze niet. Net als ze terug over het hek wil klimmen, hoort ze hard gerinkel en gekletter. Het geluid kom bij de kar vandaan, de kar van de vader van Elias. En daar komt Elias achter de kar vandaan. ‘Ha!’ roept ze, ‘Gevonden!’ Maar dan ziet ze het gezicht van Elias. Hij is helemaal rood, en hij huilt een beetje. ‘Ik wilde me in de kar verstoppen’ snikt hij. Hij wijst naar de scherven op de grond. ‘En nu zijn de potten van mijn vader kapot gevallen.’ Daar schrikt Talitha ook wel van. De vader van Elias is koopman. Met zijn kar reist hij langs steden en dorpen, waar hij allerlei potten en pannen verkoopt. Elias gaat vaak met zijn vader mee. Hij weet hoe voorzichtig zijn vader altijd met zijn koopwaar is. En nu liggen er drie mooie potten kapot op de grond. ‘Kom’, zegt Talitha, ‘niet huilen, we gaan ze maken.’ Ze raapt de scherven op. Dan pakt ze Elias bij de hand en trekt hem mee. ‘We gaan naar het meer, daar is goede klei’ legt ze uit. Even later liggen ze allebei op hun knieën in de modder. Met de vieze klei plakken ze de scherven aan elkaar. Dat is nog best een leuk werkje! ‘Zo’, zegt Talitha, ‘nu moeten ze nog even drogen, in de zon.’ Het is warm, en na een tijdje zijn de potten goed opgedroogd. Voorzichtig pakken de kinderen ze op en nemen ze mee terug naar de kar.

Daar staat de vader van Elias te wachten. Wat kijkt hij boos! Maar als hij de kinderen ziet moet hij heel hard lachen. Talitha en Elias kijken elkaar aan, en dan moeten ze zelf ook lachen. Wat zien ze eruit! Overal modder en klei, zelfs in hun haren. Vader wijst naar de potten. ‘Ze zijn prachtig!’ roept hij. ‘Maar…, maar kunt u ze nog wel verkopen?’ stamelt Elias. ‘Ben je mal!’ antwoord vader. ‘Daar zijn ze veel te mooi voor! Die houden we zelf, breng ze maar snel naar je moeder.’ En dat doen ze. Moeder kijkt eerst wat verschrikt, als ze die twee modderkinderen binnen ziet komen. Gelukkig kan zij er ook wel om lachen. ‘Maar nu snel in bad’, zegt ze.  ‘Mogen we morgen weer spelen?’ Dat mag.

 

De volgende ochtend, na het ontbijt, rent Elias naar het huis van Talitha. Meestal staat ze buiten al op hem te wachten, maar vandaag niet. ‘Talitha!’ roept hij. De moeder van Talitha kijkt voorzichtig om de hoek van de deur. Ze huilt. Elias weet niet zo goed wat hij nu moet doen. ‘Is Talitha thuis?’ vraagt hij voorzichtig. De moeder snikt. ‘Thalitha is ziek,’ zegt ze zachtjes, ‘heel ziek.’ Elias schrikt. ‘Zal ik dan een andere keer komen?’ vraagt hij. Maar Thalita’s moeder schudt zachtjes haar hoofd. ‘Ze is te ziek. Ik ben bang dat ze dood gaat.’ Dood? Dat kan toch niet? ‘Maar we hebben gister nog gespeeld!’ zegt hij. ‘Is er dan geen dokter?’ De moeder van Talitha vertelt dat haar man, Jaïrus al hulp is gaan halen. Hij is Jezus gaan zoeken. Jezus, daar heeft Elias wel van gehoord. En hij heeft ook wel eens gehoord dat Jezus zieke mensen beter kan maken! ‘Ik ga helpen zoeken!’ roept hij en hij rent het dorp in. Op het plein staat een grote groep mensen. Misschien is Jezus daar! Vlug rent hij er naar toe. Tussen de mensen door dringt hij naar voren. Daar staat Jezus. Hij luistert naar Jaïrus. ‘Alstublieft!’ smeekt Jaïrus. ‘Wilt u met mij meekomen, naar mijn huis! Het is niet ver. En ik weet dat u zieke mensen beter maakt. Als u Talitha even vast houdt, dan wordt ze beter, dat weet ik zeker!’ Elias houdt zijn adem in. Zou Jezus ja zeggen, zou Hij mee gaan? Het lijkt wel of al die mensen iets van Hem willen, heeft hij dan wel tijd voor Talitha? En kijk, daar komt nog iemand aan gerend. ‘Laat maar, laat Jezus maar met rust,’ roept hij. ‘Het is al te laat.’ Jaïrus wordt bleek. ‘Te laat, wat bedoel je?’ ‘Val Jezus maar niet meer lastig’, zegt de man. Het is te laat, Talitha is al gestorven. Het heeft geen zin meer.’ Maar Jezus duwt de man zachtjes aan de kant. Hij loopt naar het huis van Jaïrus. Elias loopt er snel achter aan. Tranen stromen over zijn wangen. Thalitha is gestorven! Wat nu? Waarom gaat Jezus dan toch nog mee? Hij gaat het huis van Jaïrus binnen, waar Thalitha op bed ligt. Elias sluipt stiekem ook naar binnen, en kijkt bij de kamer van Talitha voorzichtig om het hoekje van de deur.  Er zitten veel mensen bij het bed. Ze huilen. Elias moet ook huilen. ‘Niet doen!’ zegt Jezus. ‘Waarom doen jullie dat, waarom huilen jullie? Dat is nergens voor nodig. Talitha is niet gestorven, ze slaapt alleen maar.’ De mensen lachen Jezus uit. Zij weten zeker dat het meisje niet meer leeft. Maar Jezus stuurt ze weg. Hij pakt de hand van Talitha. ‘Kom meisje’, zegt Hij. ‘Sta maar op.’ Meteen komt Talitha overeind. Elias rekt zijn nek zo ver uit, dat hij de kamer inrolt. ‘Ga maar wat eten halen Elias,’ zegt Jezus, ‘ze zal vast honger hebben.’ Elias rent naar huis om wat lekkers te halen. Ze leeft! Thalitha leeft!