2. WIE IS JEZUS?

 De volgende ochtend kan Elias haast niet wachten tot zijn vader wakker wordt. Zo graag wil hij vertellen wat hij de vorige dag heeft meegemaakt! Snel dekt hij de tafel voor het ontbijt, en dan komen vader en moeder ook al beneden. Ze zijn een beetje stil. Zou er wat zijn? Als ze samen aan tafel zitten vertelt Elias over zijn vriendinnetje. Hij struikelt bijna over zijn woorden, zo opgewonden is hij. ‘Stil maar Elias’, zegt vader, een beetje streng. ‘Ik weet het al. En ik wil er niet meer over horen.’ Elias is verbaasd. ‘Maar vader, bent u dan niet blij? Het is toch heel mooi, wat er is gebeurd?’ Maar vader zegt niets. Zwijgend eet hij zijn brood. ‘Het is beter als je voorlopig even niet meer met Talitha speelt’ zegt moeder. ‘Wat?!’ roept Elias, ‘waarom niet?’ Elias begrijpt er niets van. ‘Jaïrus is een belangrijke leider van de synagoge. Hij zou beter moeten weten. Ik wil niet dat jij nog bij die mensen thuis komt. En je blijft bij die Jezus uit de buurt’ zegt vader. Elias druipt af, hij weet dat het geen zin heeft om zijn vader tegen te spreken. Hij begrijpt het niet. Jezus heeft zo’n groot wonder gedaan! Waarom zijn vader en moeder niet blij?

Als Elias buiten komt, ziet hij in de verte Talitha aan komen. Hij kijkt achterom, vader en moeder zien niets. Snel rent hij naar Talitha toe, en trekt haar mee naar de stal. Daar gaan ze samen in het hooi zitten. ‘Hoe gaat het met je?’ vraagt Elias. ‘Goed hoor!’ antwoordt Talitha. ‘Ik ben helemaal niet ziek meer.’ Elias kijkt verdrietig. ‘Wat is er?’ vraagt Talitha, ‘ben je dan niet blij? Ik ben echt helemaal beter hoor!’ Dan vertelt Elias wat vader heeft gezegd. Dat ze niet meer samen mogen spelen en dat hij bij Jezus uit de buurt moet blijven. Talitha is even stil. Dan zegt ze: ‘Mijn vader zegt dat Jezus misschien wel de Messias is.’ Elias zet grote ogen op. De Messias! Lang geleden had God beloofd dat er een Messias zou komen. Al heel lang wachtten de Joden op de komst van een grote Redder. Een sterke leider, die de Romeinen weg zou jagen. De Romeinse soldaten waren gekomen en hadden het land bezet. ‘Zo!’, zeiden ze, ‘nu zijn wij hier de baas. En alle Joden moeten ons heel veel geld betalen.’ Zou Jezus dan degene zijn, die de Joden weer bevrijd? Maar waarom is vader dan zo boos? Talitha weet het wel. ‘Sommige mensen zeggen dat Jezus helemaal niet de Messias is. Dat Hij een leugenaar is, en dat Hij God beledigt.’ Elias denkt na. ‘En jij, wie denk jij dat Jezus is?’

 

 Talitha denkt even na. ‘Mijn vader zegt dat Jezus uit Nazareth komt, in Galilea. Hij is geboren tijdens de grote volkstelling.’ Daar had Elias wel over gehoord. Keizer Augustus was de baas over alle koningen in de wijde omtrek. Hij had de koningen een brief gestuurd. ‘Ik wil wel eens weten over hoeveel mensen ik nou eigenlijk precies de baas ben,’ stond er in die brief. Ook koning Herodes had zo’n brief gekregen. Alle mensen moesten opgeven wat hun naam en adres was. Daarvoor moesten ze naar de plaats waar ze geboren waren. Zo moesten de vader en moeder van Jezus, Jozef en Maria, op reis van Nazareth naar Bethlehem. Het was ver en Jezus kon ieder moment geboren worden, maar ze hadden geen keus. Keizer Augustus en koning Herodes waren de baas, daar kon je niets tegen beginnen.

 

Talitha vertelt: ‘Omdat er heel veel mensen op reis waren, konden ze geen plaats vinden om te slapen. Alleen in een stal was er nog een plekje waar ze konden overnachten. En daar werd Jezus geboren.’ Elias kijkt om zich heen. Hij ziet het vieze stro, en de vliegen. Zo’n belangrijke leider, door God zelf beloofd, die kon toch niet in een stal geboren worden?  Maar Talitha vertelt verder: ‘Die nacht kwamen er herders langs. Zij hadden van engelen gehoord dat er een Koning was geboren! En later kwamen wijze mannen, uit het oosten. Zij hadden een ster gezien, en toen wisten ze dat er een belangrijke leider was gekomen!’

Elias twijfelt. ‘Ik vind het maar raar’, zegt hij, ‘als Jezus zo belangrijk is, dan zouden we dat toch wel weten?’ ‘Het mag niet van Herodes’, zegt Talitha. ‘Hij wil niet dat er een andere koning komt. Weet je dan niet, van de zwarte nacht?’ Ja, dat wist Elias wel. Zijn grootvader had vaak over die nacht verteld. Die nacht, was de oom van Elias, de oudere broer van zijn vader, vermoord. Koning Herodes had bevolen dat alle kleine jongetjes dood moesten. Want er gingen geruchten dat er een nieuwe koning was geboren. En niemand mocht koning worden in de plaats van Herodes. ‘En dat was Jezus!’ zegt Talitha. ‘Jezus is de nieuwe koning die toen geboren werd!’ ‘Dat kan niet’, zegt Elias, ‘dan zou Jezus toch ook wel gedood zijn?’ ‘Een engel heeft ze gewaarschuwd’ legt Talitha uit. En toen zijn ze gevlucht, naar Egypte. Pas toen het veilig was, kwamen ze terug. En daarom leeft hij nog!’

Elias denkt na.  Dat Herodes boos is op Jezus, dat snapt hij wel. Maar waarom maken die andere zich zo druk om, en waarom is zijn vader zo boos? ‘Jezus draait alles om’, zegt Talitha, ‘veel Joodse leiders zeggen dat Hij doet alsof hij God zelf is. En hij gaat met slechte mensen om. Hij praat met dieven, eet zelfs met ze. Dat maakt mensen boos en jaloers.’

 

Ineens horen ze buiten iemand roepen. ‘Elias, Elias! Waar zit je?’ Het is moeder. Elias rent vlug naar buiten. Moeder draagt een grote mand bij zich. ‘Waar zat je toch? Vlug, breng dit even naar tante.’ Elias pakt de mand aan, en als moeder weg is glipt hij snel terug de stal in. ‘Wat heb je daar?’ vraagt Talitha. ‘Dat moet ik naar mijn tante brengen. Ga je mee?’ Talitha kijkt in de mand. Onder een doek liggen vijf broodjes en twee vissen.

 

Wordt vervolgd...