Brandweer

‘Braaaaaaaand!’ klinkt het uit de kamer. Mama komt snel kijken. Abel en Jorik staan op de bank te springen. ‘We moeten de brandweer bellen mama!’ Jorik mag bellen. Hij kan al zelf de toetsen indrukken, en wacht netjes tot de brandweer opneemt. Abel heeft ook een telefoon. ‘Ik ben de brandweer mama!’ zegt hij. ‘Ik ook!’ roept Jorik. ‘Jullie mogen allebei brandweer zijn,’ zegt mama. 

Maar hoe dan? Mama pakt een groot kleed en legt dat midden in de kamer op de grond. Dat is de brandweerauto. ‘Pakken jullie je stoeltjes maar’ zegt mama. Dat doen ze. Ze zetten de stoeltjes op het kleed. Mama weet nog iets. Uit de keukenkast pakt ze een pan en een beslagkom. Die zetten ze op hun hoofd. Nu lijken ze net echte brandweermannen! En dan gaan ze rijden. ‘Tatu, tatu, tatu!’ roepen ze allebei. ‘Daar is de brand!’ roept Abel. Snel rijden ze er naar toe. Er staat een huis in de brand. En een boom. Die moeten ze natuurlijk blussen. ‘Mogen we met water gooien mama?’ Maar mama heeft een beter idee. Ze pakt de stofzuiger. Die is rood, net als een brandweerwagen. En er zit een lange slang aan, het lijkt precies een brandweerslang. ‘Ga daar maar mee blussen’ zegt mama. Abel mag eerst. ‘Maar eigenlijk moeten we dan op een ladder, mama’ zegt Abel. Voor deze ene keer mogen ze op het keukentrapje. Voorzichtig zetten ze het trapje achterop de brandweerwagen. Abel houdt de slang van de stofzuiger stevig vast als hij op het trapje klimt. Jorik stuurt de wagen nog wat dichter bij de brand, dat kan hij heel goed. En hij drukt nog even op het knopje van de sirene. ‘Tatu, tatu, tatu!’ klinkt het weer. Abel begint met blussen. ‘Sssssssssssh, sssssssssssssh’ , het water spuit uit de slang. Abel is een hele goede brandweerman. En na een tijdje is er geen brand meer in het huis.

Dan mag Jorik. De boom brandt nog steeds. ‘Toe maar Jorik’, zegt Abel. ‘Jij mag de boom blussen’. Jorik vindt het trapje wel een beetje eng. Maar mama houdt hem vast, en dan durft hij wel. ‘Ssssssssssssh, ssssssssssssh’, gaat het weer. Jorik kan het ook al zo goed! ‘Later als ik een grote papa ben, dan word ik ook brandweerman’ zegt Abel. ‘Ik ook!’ zegt Jorik. Mama maakt een stapel lekkere boterhammen. ‘Eerst maar eens eten, dan worden jullie later grote, sterke brandweermannen.’